Het beoordelen van moderne ledverlichting aan de hand van de huidige D- en G-klassen kan een vertekend beeld geven van de werkelijke mate van verblinding. Een armatuur met een hogere classificatie kan in de praktijk zelfs méér verblinding veroorzaken. Hoe is dat mogelijk?
Bij de D-klasse wordt de verblinding beoordeeld onder een hoek van 85 graden, waarbij 90 graden overeenkomt met de horizontale richting vanuit het armatuur. Voor deze beoordeling worden het lichtgevende oppervlak en de lichtsterkte van het armatuur bepaald en in de berekening met elkaar gecombineerd. De uitkomst vormt de basis voor de verblindingsindex: hoe gunstiger de uitkomst, hoe hoger de classificatie en hoe lager de veronderstelde verblinding.

In het linker voorbeeld is de lichtverdeling weergegeven van een armatuur dat boven 80 graden vrijwel geen licht meer uitstraalt. Bij een gelijkblijvend lichtgevend oppervlak resulteert dit in een gunstige beoordeling, omdat de lichtsterkte bij 85 graden zeer laag is.
Het rechter voorbeeld toont een armatuur met een rondere lichtverdeling. Dit armatuur scoort volgens de beoordelingsmethode minder gunstig, omdat de lichtsterkte bij 85 graden hoger is.
Daarmee ontstaat een opvallende situatie: een sterke lichtpiek die nét buiten de beoordelingshoek valt, kan buiten beschouwing blijven. Een gunstige score bij 85 graden biedt daardoor geen garantie dat een armatuur in de praktijk ook daadwerkelijk minder verblinding veroorzaakt.
Een vergelijkbaar probleem doet zich voor bij de G-klasse. Het armatuur uit het linker voorbeeld kan dankzij zijn specifieke lichtverdeling aan een zeer hoge G-klasse voldoen. Boven 80 graden wordt immers nauwelijks licht uitgestraald, waardoor ook de waarden bij de relevante beoordelingshoeken zeer laag zijn.
Ook hier geldt echter dat een sterke lichtpiek buiten de gehanteerde beoordelingshoeken onvoldoende wordt meegewogen. Een hoge G-classificatie betekent daarom niet automatisch dat een armatuur voor alle waarnemers in de openbare ruimte minder verblindend is.
De kern van het probleem ligt in de beoordelingsmethode. De huidige classificaties beoordelen slechts een beperkt deel van de mogelijke waarnemingssituaties en houden daardoor onvoldoende rekening met alle waarnemers in de openbare ruimte.
De UGR-buitenmethode kiest voor een bredere benadering. Hierbij worden de relevante waarnemingshoeken in de openbare ruimte meegenomen, waardoor een completer beeld ontstaat van de daadwerkelijke kans op hinderlijke verblinding.
Daarnaast verdient het lichtgevende oppervlak meer aandacht. Bij de D-klasse wordt dit oppervlak slechts onder één hoek beoordeeld; bij de G-klasse speelt het geen directe rol in de beoordeling. Juist de combinatie van de grootte en de helderheid van het lichtgevende oppervlak is echter essentieel voor de ervaren verblinding.
Bij een vergelijkbare lichtstroom zal een groter lichtgevend oppervlak doorgaans een lagere luminantie hebben dan een kleiner oppervlak waarop dezelfde hoeveelheid licht wordt geconcentreerd. Hierdoor kan de ervaren verblinding aanzienlijk verschillen.
Een goede beoordeling van buitenverlichting zou daarom niet uitsluitend moeten kijken naar enkele vooraf vastgestelde hoeken. Centraal moet staan wat een waarnemer in de openbare ruimte daadwerkelijk ziet en ervaart.
Door relevante kijkhoeken, lichtsterkte én het zichtbare lichtgevende oppervlak in samenhang te beoordelen, biedt UGR Buiten een methode die beter aansluit op de praktijk. Daarmee verschuift de aandacht van het behalen van een classificatie naar waar het uiteindelijk om draait: het beperken van hinderlijke verblinding voor mensen in de openbare ruimte.

Het uitvoeren van een volledig nieuw onderzoek naar de subjectieve beleving van verblinding brengt het risico met zich mee dat grenswaarden worden vastgesteld waaraan ook conventionele armaturen niet kunnen voldoen. Daarmee zou de beoordeling haar oorspronkelijke doel voorbijschieten. De conventionele armaturen waren immers niet de aanleiding voor de ervaren verblindingsproblematiek; deze is vooral ontstaan met de toepassing van ledarmaturen. Het is daarom verdedigbaar om bij het vaststellen van een UGR-buitenwaarde de prestaties van conventionele armaturen als uitgangspunt of referentieniveau te nemen.
