
Waarom V(λ) en traditionelelichtmetingen tekortschieten voor flora en fauna
Doel van de presentatie
Dehuidige praktijk voor het beoordelen van lichthinder en de invloed vankunstlicht op de omgeving is grotendeels gebaseerd op fotometrische groothedenzoals lux en luminantie. Deze grootheden zijn gebaseerd op de menselijkevisuele gevoeligheid, beschreven door de fotopische gevoeligheidsfunctie V(λ).
Hoewel deze methode uitstekend geschikt is voor het beoordelen van verlichting vanuit menselijk perspectief, rijst de vraag of dezelfde benadering ook geschikt isvoor het beoordelen van effecten op flora en fauna. In dit artikel wordt toegelicht waarom dat niet het geval is, welke beperkingen de huidige meetmethoden hebben en welke alternatieven beschikbaar zijn.
1. V(λ) is ontwikkeld voor de mens,niet voor dieren en planten
Delux-eenheid is gebaseerd op de fotopische gevoeligheidsfunctie V(λ), die degemiddelde gevoeligheid van het menselijk oog bij dagzicht beschrijft.
Dehoogste gevoeligheid ligt rond 555 nm (groen licht). Licht buiten dit gebiedkrijgt in een luxmeting relatief weinig gewicht.
Voorveel dieren en planten geldt echter een totaal andere gevoeligheid:
Hierdoorkan een lichtbron die voor mensen weinig licht produceert volgens een luxmeter,juist een grote ecologische impact hebben.
Wat zegt de wet- en regelgevinghierover?
Binnende Nederlandse regelgeving en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)worden lichthindereffecten nog voornamelijk beoordeeld vanuit menselijkewaarneming. De gebruikte meetmethoden zijn daarom gebaseerd op fotometrischegrootheden zoals verlichtingssterkte (lux) en luminantie.
Voorecologische effecten bestaat echter nog geen algemeen geaccepteerdebeoordelingsmethode. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat menselijkelichtmaatstaven onvoldoende zijn om effecten op flora en fauna te beschrijven,maar een breed toepasbare wettelijke norm ontbreekt momenteel.
2. Airglow meten op afstand geeft geenrepresentatief beeld
Bijgroeiverlichting in de glastuinbouw wordt regelmatig gekeken naar de zichtbarelichtkoepel boven een gebied, ook wel airglow of skyglow genoemd.
Hetprobleem hierbij is dat de gemeten waarde sterk afhankelijk is vanatmosferische omstandigheden:
Eenidentieke installatie kan daardoor op verschillende dagen sterk afwijkendemeetresultaten geven.
Bijbewolkte omstandigheden wordt licht veel sterker teruggekaatst richtingwaarnemer dan onder een heldere hemel. Hierdoor zegt een meting van airglow opgrote afstand vaak meer over het weer dan over de daadwerkelijkelichtuitstraling van de installatie.
Eenbeoordeling uitsluitend op basis van skyglow-metingen is daarom beperktreproduceerbaar en moeilijk toetsbaar.
3. Lokale metingen geven een beter entoetsbaar beeld
Vooreen betrouwbare beoordeling van de invloed van kunstlicht op flora en faunaverdient het aanbeveling dichter bij de bron te meten.
Voordelenvan lokale metingen zijn:
Doorlokaal te meten ontstaat een objectiever beeld van de daadwerkelijkeblootstelling van planten en dieren aan kunstlicht.
4. Welke eenheid moeten we gebruikenvoor flora en fauna?
Degrootste uitdaging ligt niet in het meten zelf, maar in de keuze van de juistemeeteenheid.
A. Lux met aangepaste V(λ)-curves
Een mogelijke oplossing is het ontwikkelen van soort specifieke gevoeligheidsfuncties.
Inplaats van de menselijke V(λ) wordt dan gewerkt met:
Demeetresultaten kunnen vervolgens worden uitgedrukt in een aangepaste luxwaarde.
Voordelen:
Nadelen:
B. PAR-metingen
Inde tuinbouw wordt vaak gewerkt met PAR (Photosynthetically Active Radiation).
PARbeschrijft het licht tussen ongeveer 400 en 700 nm dat beschikbaar is voorfotosynthese.
Deeenheid is:
µmol·m⁻²·s⁻¹
Voordelen:
Nadelen:
HoewelPAR uitstekend bruikbaar is voor plantkundige analyses, is het nog geenalgemeen geaccepteerde maat voor lichthinder.
C. Luminantiecamera met aangepastegevoeligheidsfuncties
Eeninteressante tussenoplossing is het gebruik van spectrale of multispectraleluminantiecamera’s.
Hiermeekan:
Voor iedere doelgroep kan vervolgens een eigen gewogen luminantie of verlichtingssterkte worden berekend.
Voordelen:
Nadelen:
Deze aanpak lijkt momenteel één van de meest kansrijke routes voor toekomstige ecologische lichtmetingen.
5. De rol van drone-metingen
Drone-technologie biedt nieuwe mogelijkheden om de invloed van kunstlicht objectief in kaart te brengen.
Metdrones kunnen metingen worden uitgevoerd:
Daarnaastmaken drones het mogelijk om ruimtelijke lichtverdelingen zichtbaar te makendie vanaf de grond moeilijk meetbaar zijn.
Doordrones uit te rusten met:
kaneen veel completer beeld worden verkregen van de daadwerkelijke blootstellingvan de omgeving.
Voorcomplexe situaties zoals groeiverlichting in de glastuinbouw kunnendrone-metingen een belangrijke bijdrage leveren aan een objectieve enreproduceerbare beoordeling.
Conclusie
De traditionele fotometrische benadering op basis van de menselijke V(λ)-functie is geschikt voor het beoordelen van verlichting voor mensen, maar onvoldoende voor flora en fauna. Dieren en planten reageren op andere delen van het spectrum en vragen daarom om andere beoordelingsmethoden.
Metingenvan airglow op afstand zijn sterk afhankelijk van weersomstandigheden endaardoor beperkt representatief. Lokale metingen bieden een betrouwbaarder enbeter toetsbaar alternatief.
Degrootste uitdaging voor de komende jaren ligt in het ontwikkelen van een breedgeaccepteerde ecologische lichtmaat. Mogelijke richtingen zijn aangepasteV(λ)-functies, PAR-gebaseerde benaderingen en spectrale luminantiemetingen. Drone-technologie kan hierbij een belangrijke rol spelen door het verzamelen van hoogwaardige en reproduceerbare meetdata.